De techniek van de Botter

Eeuwenoud vakmanschap op het water

Wat is een botter?

Een botter is een houten vissersschip met een platte bodem dat vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw werd gebruikt voor de visserij op de Zuiderzee. Kenmerkend is de hoge, bolle kop met deksel en het lage, open achterschip. Die vorm was niet toevallig: de hoge kop bood bescherming tegen de golven en ruimte voor het vooronder, terwijl het lage achterschip het werken met vistuig vergemakkelijkte.

Door de platte bodem kon een botter droogvallen op de ondiepe Zuiderzeegronden zonder om te vallen. Zo konden vissers bij eb hun vangst direct aan land brengen.

De ZS13 onder zeil

Specificaties ZS13

Romp

  • Plat tot licht V-vormig vlak
  • Gladboordig (karveel) gebouwd
  • Romp van eikenhout
  • Dek van grenenhout
  • Hoekige kimmen, bolle zijden

Tuigage

  • Massieve steekmast
  • Grootzeil (gaffelzeil) als hoofdzeil
  • Fok als voorzeil
  • Bezaan, kluiver en bras als bijzeilen
  • Smalle zeezwaarden

Materialen

  • Zeilen van katoen of vlas
  • Rondhout van naaldhout of es
  • Blokken van essenhout
  • Touwwerk van hennep
  • Onderhoud met harpuis en Stockholmse teer
Detail van de ZS13

De bun

Het meest bijzondere onderdeel van een botter is de bun: een ruimte in het midden van het schip die oorspronkelijk diende om gevangen vis levend te bewaren. De bun was onderverdeeld in compartimenten, afgescheiden door zware schotten met geperforeerde kaarplaten.

De constructie van de bun is ingenieus: vier zware schotten, het bundek en zes knieen zorgen voor de stijfheid van het schip op de plek waar huidplanken, zaathouten en spanten ontbreken.

Het tuig

Een botter voert een gaffeltuig met een massieve steekmast. De mast staat zonder zijverstaging: hij wordt op zijn plaats gehouden door het voorstag, de mastkoker en het eigen gewicht. Het ontbreken van want en zijstagen maakte het werken met visnetten aan boord een stuk eenvoudiger.

Het grootzeil - een gaffelzeil - is het hoofdzeil en wordt gevoerd achter de mast. Hiervoor staat de fok, een voorzeil dat aan het voorstag wordt gehesen. Bij gunstige omstandigheden werden bijzeilen gevoerd: de kluiver voor de boeg, en de bezaan - een kleiner zeil achterop, ook wel de broodwinner, bras of aap genoemd.

De bruinkleurige zeilen van katoen of vlas werden ingesmeerd met harpuis - een mengsel van gekookte lijnolie en hars - om ze waterdicht en duurzaam te maken.

De ZS13 onder zeil
De zwaarden van de ZS13

De zwaarden

Omdat een botter een platte bodem heeft en geen diepstekende kiel, zou het schip zonder hulpmiddelen bij het zeilen sterk afdrijven. Daarvoor dienen de zwaarden: smalle, houten platen die aan weerszijden van het schip hangen. Door het lijzwaard - het zwaard aan de benedenwindse kant - te laten zakken, krijgt het schip de zijwaartse weerstand die nodig is om koers te houden. Bij het overstag gaan of een koerswijziging wordt het ene zwaard opgehaald en het andere neergelaten.

Zeilgedrag

Een botter zeilt anders dan een modern jacht. Het is een zwaar, breed schip dat minder scherp aan de wind kan zeilen. De botter maakt daardoor grotere slagen bij het kruisen en vraagt meer ruimte om te manoeuvreren. Aan de andere kant ligt het schip stabiel op het water en draagt het goed zeil bij wat meer wind. Het varen met een botter vraagt ervaring en gevoel - het is ambachtelijk zeilen, waarbij de schipper voortdurend inspeelt op wind, stroom en het gedrag van het schip.

De ZS13 onder zeil